Obligaties zijn een ander soort risico dan aandelen
Obligaties lijken het veilige deel van je vermogen, maar de koers kan dalen als de rente stijgt. Zo werken renterisico, kredietrisico en box 3 in 2026.
Wie begint met beleggen, hoort al snel hetzelfde verhaal over de verdeling van een portefeuille. Aandelen zorgen voor de groei en obligaties voor de rust. Dat klinkt alsof obligaties gewoon het veilige deel zijn waar je verder niet naar hoeft om te kijken. Zo werkt het niet helemaal. Obligaties zijn een ander soort risico dan aandelen, en dat risico zit ergens anders dan veel mensen denken.
Wat een obligatie is
Een obligatie hoort bij de vastrentende waarden. Volgens de AFM zijn dat beleggingen waarvan de periodieke betalingen in rente en aflossing contractueel zijn vastgelegd. Je leent geld uit aan een land of een bedrijf, je krijgt daar rente voor en aan het einde van de looptijd wordt de lening afgelost. De bekendste vormen zijn staatsobligaties en bedrijfsobligaties.
Beleggen is een manier voor vermogensopbouw. Het kan meer opleveren dan sparen, maar het is meestal risicovoller. Het rendement kan verschillen en de inleg is meestal niet gegarandeerd. Dat geldt ook voor obligaties. De vaste rente wekt de indruk dat de waarde stilstaat, maar dat doet hij niet. De AFM noemt bij vastrentende waarden vier belangrijke risico's. Dat zijn renterisico, kredietrisico, valutarisico en liquiditeitsrisico.
Stijgt de rente, dan daalt jouw obligatie
Renterisico is het risico dat een obligatie in waarde daalt door een rentestijging. De rente op jouw obligatie ligt contractueel vast, maar nieuwe obligaties worden uitgegeven tegen de nieuwe, hogere rente. Jouw oudere obligatie met de lagere rente wordt dan minder aantrekkelijk voor kopers, en dat zie je terug in de koers.
Hoe gevoelig een obligatie is voor renteveranderingen, wordt gemeten met duration. De AFM geeft daar een voorbeeld bij. Als de duration gelijk is aan 5 en de rente stijgt met 1 procentpunt, dan daalt de waarde van de obligatie met 5 procentpunt. Op een obligatiepositie van 20.000 euro is dat 1.000 euro.
Voorbeeld van renterisico bij obligaties
Duration 5 en een rentestijging van 1 procentpunt volgens het AFM-voorbeeld.
Waarde voor de rentestijging
€ 20.000
Waarde na de rentestijging
€ 19.000
Verschil
€ 1.000
De contractuele betalingen veranderen niet door zo'n koersdaling. Wie de obligatie aanhoudt, blijft de afgesproken rente ontvangen. Maar wie tussentijds wil verkopen, krijgt de prijs van dat moment. Een obligatie met een vaste rente kan tussentijds dus wel degelijk in waarde bewegen.
Niet elke uitgever betaalt terug
Kredietrisico is het risico dat de debiteur niet aan zijn betalingsverplichtingen kan voldoen. De uitgevende instelling is dan niet in staat de rente of de aflossing te betalen. Dat risico verschilt per uitgever, en daarom bestaan er credit ratings. Moody's, Standard & Poor's en Fitch drukken kredietrisico uit in letters. Bij Standard & Poor's is AAA de hoogste rating en is C of D de laagste. Een rating zegt dus iets over de kans dat de uitgever zijn verplichtingen nakomt.
Er is ook liquiditeitsrisico. Dat is het risico dat je niet tegen normale prijzen kunt kopen of verkopen, omdat er te weinig kopers en verkopers in de markt zijn. Wie snel geld nodig heeft, kan daardoor gedwongen zijn een lagere prijs te accepteren.
Wat er gebeurt als je aanbieder omvalt
Beleggingen en gelden moeten veilig zijn afgescheiden van het vermogen van een bank of beleggingsonderneming. Dat heet vermogensscheiding, en de AFM houdt toezicht op de naleving van die regels. Sinds juli 2022 is het ook mogelijk dat een beleggingsonderneming een rekening met afgescheiden vermogen bij een bank opent. Je beleggingen staan daardoor los van het vermogen van de onderneming zelf.
Belangrijk is het verschil tussen het risico van de aanbieder en het risico van de belegging. Vangnetregelingen bieden geen bescherming tegen koersdalingen en andere beleggingsverliezen. Bescherming bij een faillissement van de aanbieder betekent dus niet dat de koers van je obligatie niet kan dalen. Dat risico blijft voor jou.
Obligaties in box 3 in 2026
Voor de belasting zijn obligaties geen spaargeld. Voor de voorlopige aanslag 2026 gebruikt de Belastingdienst fictieve rendementspercentages volgens de Overbruggingswetgeving, en gaat daarbij uit van de werkelijke verdeling van je vermogen over banktegoeden, beleggingen en andere bezittingen, en schulden. Onder beleggingen en andere bezittingen vallen onder meer aandelen, obligaties en andere effecten. Jouw obligaties tellen dus mee in de categorie met het hoogste fictieve rendement.
Voor 2026 rekent de Belastingdienst met 1,28 procent voor banktegoeden, 6,00 procent voor beleggingen en andere bezittingen en 2,70 procent voor schulden. Het percentage voor beleggingen staat al vast. De percentages voor banktegoeden en schulden zijn nog voorlopig en worden begin 2027 definitief vastgesteld. Je gaat uit van de waarde van je bezittingen en schulden op 1 januari 2026. Het belastingtarief in box 3 is in 2026 36 procent.
Een voorbeeld maakt dit concreet. Stel dat je op 1 januari 2026 voor 20.000 euro aan obligaties hebt. De Belastingdienst rekent dan met een fictief rendement van 6,00 procent, en dat is 1.200 euro. Bij een tarief van 36 procent is de belasting over dat voordeel 432 euro. Let op, dit is een versimpelde illustratie. Het voorbeeld negeert het heffingsvrij vermogen, eventuele schulden, de verdeling met een fiscale partner en de precieze rekenstappen van de Belastingdienst. Het fictieve rendement staat bovendien los van wat je obligaties in dat jaar werkelijk opleveren. Je eigen situatie reken je door met vermogensbelasting berekenen.
Zelf rekenen en waar je op let
De beslissing om te beleggen is persoonlijk. De AFM noemt als uitgangspunt om vooraf te bepalen met welk doel je belegt en hoeveel risico je kan en wil lopen. Beleggen past beter bij een langere horizon, en geld dat je belegt moet je voor langere tijd kunnen missen. Voldoende spaargeld als buffer hoort daarbij. Verder noemt de AFM een goed gespreide portefeuille, lage kosten, zo min mogelijk transacties en het vermijden van speculatieve instrumenten als uitgangspunten.
Wil je zien wat verschillende rendementen over de jaren met je inleg doen, dan kun je dat doorrekenen met beleggen berekenen. Vergelijken met sparen kan met spaarrente berekenen, en met samengestelde rente berekenen zie je wat rente op rente over een lange periode doet.
De rekensom bij obligaties zit niet in de vraag of de rente vaststaat, want dat doet hij. De som zit in wat er met de koers gebeurt als de rente stijgt, in de kans dat de uitgever betaalt, in de vraag of je tussentijds tegen een normale prijs kunt verkopen, en in de 6,00 procent waarmee box 3 in 2026 rekent. Wie die vier punten meeweegt, weet wat het woord veilig bij obligaties wel en niet betekent.
Dit artikel is algemene informatie en geen financieel advies. Bedragen en regels veranderen; controleer altijd de genoemde bronnen voor je een beslissing neemt.