Lijfrente geeft aftrek in box 1, maar het geld staat vast. Gewoon beleggen is flexibeler. Zo werkt de keuze in 2026, met de regels van de Belastingdienst.
Je legt geld opzij voor je pensioen en dan komt de vraag hoe je dat het beste doet. Kies je voor een lijfrente met belastingaftrek in box 1, of beleg je gewoon op een eigen rekening waar je altijd bij kunt? Met allebei bouw je vermogen op, alleen de regels en de gevolgen verschillen flink.
Wat een lijfrente is
Een lijfrente is extra inkomen vanaf het moment dat je met pensioen gaat. Je kunt daarvoor een verzekering afsluiten of bedragen storten op een lijfrenterekening of voor een lijfrentebeleggingsrecht. Het bedrag op die rekening of de waarde van dat recht moet je op een bepaald moment gebruiken voor de aankoop van een lijfrente. Het geld staat dus vast tot je pensioen en komt daarna in vaste delen naar je toe.
De premies of stortingen zijn aftrekbaar in box 1, maar alleen als je een pensioentekort hebt. Hoeveel je mag aftrekken heet de jaarruimte. Die is met de nieuwe pensioenregels verhoogd naar 30% van het inkomen waarmee je spaart voor je pensioen, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2023. De jaarruimte van 2026 hangt af van je situatie in 2025.
Gebruik je je jaarruimte niet helemaal, dan heet dat niet-benutte jaarruimte. Het totaal daarvan is je reserveringsruimte, en die kun je nog in de 10 jaar erna gebruiken. In de reserveringsruimte van 2026 tellen de niet eerder gebruikte jaarruimtes uit 2016 tot en met 2025 mee. De opgebouwde reserveringsruimte is in 2026 maximaal € 42.753. Wacht je te lang, dan raak je ruimte kwijt. In 2027 vervalt bijvoorbeeld de niet-gebruikte jaarruimte uit 2016.
Wat de aftrek in de praktijk doet
De Belastingdienst geeft een voorbeeld dat de grens goed laat zien. Stel dat je jaarruimte in 2026 € 1.600 is en je geen reserveringsruimte hebt. Je betaalt € 1.500 premie voor een lijfrenteverzekering en stort € 500 op een lijfrenterekening, samen € 2.000. Dan mag je maximaal € 1.600 aftrekken van je inkomen in box 1. De overige € 400 mag je niet aftrekken, niet in 2026 en ook niet in een later jaar.
Voorbeeld van de Belastingdienst voor 2026
Een inleg van 2.000 euro bij een jaarruimte van 1.600 euro.
Totale lijfrente-inleg
€ 2.000
Aftrekbaar in box 1
€ 1.600
Niet aftrekbaar
€ 400
Meer inleggen dan je jaarruimte en reserveringsruimte samen levert dus geen extra aftrek op. Het maximum geldt bovendien voor al je lijfrenteproducten samen, en je mag premies en stortingen alleen aftrekken in het jaar waarin je ze hebt betaald.
Waar het geld vastzit
Het belastingvoordeel heeft een prijs, want de uitkering is aan regels gebonden. Bij een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht met een oudedagslijfrente moet de uitkering uiterlijk ingaan in het vijfde jaar na het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt. Gaan de uitkeringen in in het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt of daarna, dan moet je ze minimaal 20 jaar ontvangen. Beginnen ze eerder, dan komen de jaren dat ze eerder ingaan er bovenop. De Belastingdienst rekent voor dat een uitkering die ingaat op 63 jaar bij een AOW-leeftijd van 67 jaar minimaal 24 jaar moet lopen.
Er bestaat ook een tijdelijke oudedagslijfrente bij een lijfrenterekening of lijfrentebeleggingsrecht. Die moet minimaal 5 jaar duren, mag niet eerder ingaan dan het jaar waarin je de AOW-leeftijd bereikt en moet binnen 5 jaar na dat jaar beginnen. Het jaarlijkse bedrag mag in 2026 niet hoger zijn dan € 26.781. Is het hoger, dan mag je alleen premies aftrekken als de uitkeringen minimaal 20 jaar duren. Inleggen kan trouwens tot 5 jaar na het bereiken van de AOW-leeftijd.
Gewoon beleggen als alternatief
Beleg je vrij, dan gelden die regels allemaal niet. Je bepaalt zelf wanneer je stort, wanneer je verkoopt en waar het geld naartoe gaat. Denk hierbij aan eerder stoppen met werken, een verbouwing of gewoon een buffer die je achter de hand houdt. Daar staat tegenover dat vrij beleggen niet dezelfde aftrek in box 1 heeft. Het fiscale voordeel van de lijfrente krijg je alleen als je het geld ook echt vastzet voor je pensioen.
Sluit je toch een lijfrenteproduct af, dan kan dat vaak zonder adviseur, via execution only. De AFM wijst erop dat de kosten daarvan in de regel lager zijn dan bij een volledig adviestraject, maar dat execution only niet voor iedereen geschikt is. Een verkeerde keuze kan grote gevolgen hebben, bijvoorbeeld doordat een pensioenaanvulling lager blijkt te zijn dan gedacht. Je doet vooraf een kennis- en ervaringstoets over het product en de risico's. De uitkomst van die toets is niet bindend, dus de afweging blijft aan jou.
Zelf narekenen
De keuze begint bij de vraag of je een pensioentekort en dus jaarruimte hebt. Met de rekentool jaarruimte berekenen zie je snel hoeveel ruimte je in 2026 hebt. Voor de berekening heb je je inkomensgegevens van het vorige jaar nodig en de opgaaf van je pensioenaangroei. Wil je ook je reserveringsruimte weten, dan heb je die gegevens van de afgelopen 10 jaar nodig.
Hoe de lijfrente of het vrije vermogen in je totale pensioen past, kun je bekijken met pensioen berekenen. Zo zie je of er een gat zit tussen wat je straks krijgt en wat je nodig hebt.
Wat er nog speelt
Voor zelfstandig ondernemers loopt er nog een proef. Zij kunnen zich vrijwillig aansluiten bij een pensioenfonds in de branche waarin ze werken, als het pensioenfonds die mogelijkheid geeft. Die proef loopt tot 1 juli 2028. En kiezen tussen lijfrente en vrij beleggen hoeft niet definitief het een of het ander te zijn. Wie jaarruimte heeft, kan die benutten en los daarvan vrij vermogen opbouwen voor doelen die eerder komen dan het pensioen.
Dit artikel is algemene informatie en geen financieel advies. Bedragen en regels veranderen; controleer altijd de genoemde bronnen voor je een beslissing neemt.